In memoriam: Noeky

Noeky5

Het poesje met het roze neusje sprong er meteen uit voor mij
Ze waren allemaal leuk, maar de liefste dat was jij
Een koppie als dubbelvla, half donker en half licht
En dat aparte neusje, ’t was zo’n grappig gezicht

Kroelen met je baasje was wat jij het liefste deed
Maar genieten in het zonnetje was ook aan jou besteed
Je haalde gekke streken uit, ondeugend als je was
Je verstoppen achter dozen, of in het hoge gras

Je speeltje moest in je waterbak, dan deed je haar ‘in bad’
Dan trok het water uit het bakje en werd de laminaatvloer nat
Het werd een vast ritueel en een van jouw geslaagde grappen
Als het baasje er ’s ochtends slaperig met zijn sokken in stond te trappen

Maar zag je dat grappige snuitje, met die roze neus
Dan moest je erom lachen, je had gewoon geen keus
Je was ons kleine clowntje, om jou hadden we zo vaak lol
Je was de zwakste van het nestje, maar je hield het het langst vol

Zo veel fijne momenten waarop jij ons leven verrijkte
Tot de dag waarop jouw levensweg zijn eindpunt bereikte
Ruim achttien mooie jaren heb jij bij ons mogen zijn
Nu moeten we je laten gaan en wat doet dat pijn

Lieve Noekiepoekie, kleine zonnestraal
Veel meer dan een huisdier, geliefd en heel speciaal
Dag clowntje, lief prinsesje, bedankt dat jij er bent geweest
We zullen je gaan missen, maar jou herinneren het meest

La vie c’est drôle

“Is dat een drol?”
“Waar?”
“Daar, onder de salontafel.”
“Nee joh, dat is opgedroogd kattenvoer.”
“Of een drol.”
“Nee hoor, kattenvoer.”

“Toch denk ik dat het een drol is.”
“Dat ís geen drol. Ik heb Noeky daar haar eten gegeven en dat heeft ze naast haar bakje laten vallen.”
“Het lijkt op een drol.”
“(zucht) Ik ruim het wel op, kun je zien dat het geen drol is. Hier, ik kan het zo oppakken.”
“Ruik er eens aan?”
“…”
“Dus toch een drol.”

blog_145534_small_600

In memoriam: Nacho

Nacho

Een klein zwart duveltje, dat was jij toen we jou voor het eerst zagen
Je kauwde op mijn knopen en je klauwde in mijn haren
We dachten dat er met jou geen land te bezeilen zou zijn
Maar je was gewoon speels, je was ook nog zo klein

Je werd een echte vriend, de liefste kameraad
Het fijnste soort metgezel dat er bestaat
Je kon een beetje gek doen, niet helemaal normaal
Maar juist die eigenaardigheden maakten jou zo speciaal

We noemden je soms ‘Nacho cheese’, want je hield van kaas
Je likte aan je krabpaal en dronk water uit de bloemenvaas
Je sabbelde op poppenhaar en je lag graag in ‘de tent’
We lachten om je ‘witte flos’, daaraan was je wel gewend

Als we thuiskwamen, zat jij te wachten voor het raam
En ’s avonds op de bank lag je nooit ver van ons vandaan
Relaxen en genieten, daarin was je bedreven
Liggen in vreemde houdingen had jij tot kunst verheven

Nu ben je er niet meer en je komt niet meer terug
Je bent zoals dat heet op de regenboogbrug
Buiten is het warm, maar in mijn hart is het koud
Hoe laat je iemand los waarvan je zoveel houdt?

Geen begroeting bij de deur, je lege mandje bij de haard
Niet meer spelen met het witte puntje van je staart
De dood hoort bij het leven, we moeten je laten gaan
Maar in onze harten blijf je voor altijd bestaan